Kerk Benningbroek

Kerk Benningbroek
De kerk van Benningbroek is in vele opzichten plaatsbepalend: landschappelijk, cultureel-historisch en als plaats waar ruimte is voor gemeenschappelijke beleving van vreugde en verdriet, voor bezinning en gebed, voor herinnering en verwachting.
Het markante witte kerkje is goed te zien vanaf de A7. Het is gebouwd in 1548 als katholiek godshuis, gewijd aan Sint Petrus. Met de reformatie ging de kerk over naar de hervormden. De luidklok dateert uit 1525. In de 19e eeuw werden diverse herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Zo bouwde men in 1880-1881 een consistorie aan de oostzijde van de kerk. Het Van Dam-orgel is uit 1908. De toren bezit een bijzondere constructie met vierkantstijlen, zoals bij stolpenbouw gebruikelijk is.

De plaats komt in de 13e eeuw voor als Bonnynggbroeck. De plaatsnaam zou ontleend zijn aan het drassige laagland waarin het dorp gelegen was, eigendom van een persoon of familie Benning. De kerk die in het dorp staat, is gebouwd tussen 1505 en 1548.

Dit zogenoemde Witte Kerkje is gebouwd in de zestiende eeuw. De jaartallen op een sluitsteen (1548) en op de klok (1525) wijzen daarop. De kerk is gewijd aan Sint Petrus in Banden. Dat valt ook op te maken uit een van de versieringen op een sluitstuk in het gewelf. Daar zien we een sleutel: het symbool van Petrus.
De consistoriekamer, tegen de oostwand, is een latere toevoeging aan het kerkgebouw.

Toren
De toren heeft oude papieren. Op de tuimelbalk staat een verminkt jaartal: 179.  Op 19 januari 1846 kwam een reparatie aan de toren van Benningbroek in de gemeenteraad aan de orde. Geraamde kosten ƒ 400,-- , werkelijke kosten ƒ 575,63. In 1860 moest de toren opnieuw een flinke onderhoudsbeurt ondergaan. Voor ƒ 350,--  werd aan de plaatselijke timmerman P. Buis de opdracht verstrekt.
Bijzonder is de constructie met vierkantstijlen, zoals bij stolpenbouw gebruikelijk is. De vierkantstijlen stonden op gemetselde poeren. Deze zijn tijdens de restauratie vervangen door betonnen exemplaren, die door middel van een funderingsplaat met elkaar gekoppeld zijn.

Klok
Het opschrift van de klok luidt: JHESUS MARIA JOHANNES GHERARDUS
DE WOU ME FECIT ANNO DOMINI MCCCCCXXV (Jezus Maria Johannes Gherardus De Wou maakte mij in het jaar van de Heer 1525).


Interieur
In de kerk van Benningbroek staat een eikenhouten preekstoel uit de Gouden Eeuw. Het meubel oogt robuust en is voorzien van kussenpanelen en getorste kolommen. Deze vormen zijn bekend van kasten uit die tijd en verraden de hand van een meubelmaker. Op de kuip van de preekstoel staan het jaartal 1661 en de initialen IDLL. Hoger, op het achterschot van de preekstoel, vinden we de naam en het wapen van Jacobus Pennokius. Wie was deze man en wat is zijn relatie met de preekstoel?

Jacobus Pennokius
Jacobus Pennokius werd op 21 juni 1629 gedoopt als zoon van Prudentius Willemsz Pennokius en Elisabet Jacobs. De doop vond plaats in de Oude Kerk te Amsterdam. Vader Prudentius was predikant in het nabijgelegen dorp Sloten. De exotische familienaam is een latinisering van Pennock en duidt op Engelse of Schotse wortels. De familie aan moederszijde was afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. In Gent stond namelijk de wieg van Jacobus Viverius, grootvader van Jacobus Pennokius. Viverius was arts in Amsterdam en een bekend dichter.
Jacobus Pennokius groeide op in een geletterde en calvinistische omgeving. In 1646 werd hij als student Theologie aan de Leidse universiteit ingeschreven en vijf jaar later volgde zijn aanstelling als predikant in Benningbroek.

In Benningbroek
Zijn verhuizing naar Benningbroek luidde een nieuwe levensfase in. De jonge Pennokius trouwde in 1653 met Petronella Brouwers uit Muiden en precies tien maanden later werd hun eerste dochter Elisabeth geboren. Het meisje werd door de vader zelf in de kerk van Benningbroek gedoopt. Meer kinderen zouden volgen.
Intussen onderhield Jacobus nauwe banden met zijn familie in Amsterdam. Dat kan althans worden opgemaakt uit de huwelijksinzegening van zijn één jaar jongere zus Cornelia. Zij reisde in 1655 met haar verloofde naar Benningbroek waar het Amsterdamse stel door Jacobus Pennokius werd getrouwd.
Ook zijn verwantschap met Jacobus Viverius was hem zeer lief. Hij trad zelfs in de voetsporen van zijn grootvader. Zo schreef hij in 1658 een triomfgedicht in een publicatie van Hendrik Bruno, conrector van de Latijnse school in Hoorn. Dit gedicht ondertekende hij met ‘De doodt doet leven’, een credo dat Jacobus Viverius ook gebruikte. Vier jaar later publiceerde Jacobus Pennokius een bewerking van religieuze teksten van zijn grootvader. Het boek, getiteld ‘De verdrukte, dog naderhand verheven Joseph […]’, werd in 1662 te Hoorn uitgegeven.

De nieuwe preekstoel
In 1661 werd het interieur van de kerk in Benningbroek verrijkt met een ‘trouwheck’ en een nieuwe preekstoel. Jacobus Pennokius moet daarin een belangrijke hand hebben gehad. Zijn wapen en naam op de preekstoel doen sterk vermoeden dat hij het meubel aan de kerk heeft geschonken.
Via de doop- en trouwboeken van Benningbroek komen we over de totstandkoming iets meer te weten. Niet zonder trots staat in het doopboek aangetekend dat Maritje Dircksdr van der Beeck op 8 januari 1662 als eerste kind voor de nieuwe preekstoel is gedoopt.

De eerste huwelijksvoltrekking voor de nieuwe preekstoel vond plaats in april 1662. Deze eer viel ten beurt aan Jacob Dircksz Laechlant uit Medemblik en Geertje Hermens uit Benningbroek. In het trouwboek lezen we: ‘de bruijgom is de baes van tselve werck inde kerck alhier geweest’. IDLL zijn dus de initialen van Jacob Dircksz LaechLant, een Medemblikker meubelmaker.
Op 11 maart 1663 stond Jacobus Pennokius zelf voor de nieuwe preekstoel. Als weduwnaar trouwde hij toen zijn tweede vrouw, Jaapje Jans uit Naarden.

Afscheid
Eind 1663 raakte Jacobus Pennokius in opspraak. Bij Midwoud was hij te water gevallen waarna kwade tongen hem van dronkenschap beschuldigden. Anderen kwamen juist voor hem op en ondertekenden ontlastende verklaringen. Maar op 24 augustus 1664, toen hij in beschonken toestand een kerkdienst in Spanbroek leidde, verspeelde Jacobus Pennokius zijn positie als predikant. De classis Hoorn zette hem op non-actief en de zaak kwam in de hoogste kerkvergadering, de synode, aan de orde. De synode startte een eigen onderzoek waarbij Benningbroek tweemaal door een commissie werd bezocht. Het onderzoek wees uit dat een meerderheid van de 46 lidmaten in Benningbroek van hun predikant af wilde. Een derde deel meende dat hij mocht aanblijven mits hij berouw toonde. Zijn afscheid was onvermijdelijk.
Samen met zijn gezin verruilde Jacobus Pennokius in het najaar van 1665 Benningbroek voor Medemblik. Daar bestierde hij enkele jaren de Latijnse school, gevolgd door een aanstelling als godsdienstonderwijzer. Maar de talrijke naamsvermeldingen in de kerkenraadsnotulen laten zien dat zijn relatie met de kerkelijke autoriteiten moeizaam bleef.
Jacobus Pennokius overleed in 1674. Hij liet een vrouw en vier kinderen achter. Zijn preekstoel in de kerk van Benningbroek is een monument, een herinnering aan een markant figuur.

Peter Swart
Juni 2015

Orgel
Het orgel werd gebouwd tussen in 1907/1908 door L.van Dam te Leeuwarden. Het werd gemaakt als balustradeorgel met twee manualen en aangehangen pedaal. Het ondermanuaal bezat 6 registers en het bovenmanuaal 3 registers. De orgelkas is van grenen en vurenhout.
De galerij waarop het orgel geplaatst is, bevindt zich aan de torenzijde van de kerk. De galerij wordt in het midden ondersteund door twee gietijzeren kolonetten. De frontpijpen zijn van tin en waren bij oplevering gepolijst.
De labia zijn verguld.
Onder in de orgelkas, onder lade en walsramen, ligt een grote magazijnbalg met daaronder twee schepbalgen.
Het orgel is in 2008 deels gerestaureerd door de Firma Flentrop en teruggebracht in de oorspronkelijke stijl.
In 2017 traden diverse defecten op, het ondermanuaal was niet meer te koppelen aan het bovenmanuaal,  er ontstond een grote scheur in de magazijnbalg. Daardoor werd het orgel onbespeelbaar.
Het orgel is door Flentrop Zaandam gedemonteerd en aldaar gerepareerd.
In het voorjaar van 2018 werd het orgel geheel in oude luister hersteld, gemonteerd en geïntoneerd en in juli weer plechtig in gebruik genomen.

Rondom de kerk
De muren van het kerkje zijn wit geverfd. Een knoestige en zeer oude boom staat naast het toegangshek. Het pad met gele steentjes leidt naar de deur.  
Aan de zuidzijde van de kerk is het kerkhof.
Op een eenvoudige, gemetselde grafsteen in de kerkmuur staan de volgende woorden:

Hier leydt begraven Bouwen Pilgromsoon van ’t Hogelant
is ghestorven den 18 february Anno 1628.

Een afbeelding toont een man op een paard met twee kleine kinderen ernaast. Het verhaal dat erbij hoort is:
't Hoge Land
Bouwer Pilgromszoon is een boer op ’t Hoge Land, een grote hooggelegen boerenplaats aan een weggetje met dezelfde naam.
Hij komt terug van de markt in Hoorn en zijn beide kinderen wachten op hem.
Misschien heeft vader iets voor hen meegenomen?
Kijk, daar komt hij aan!
Ze rennen hem al schreeuwend en joelend tegemoet, zwaaiend met hun armen!
Als ze vlak bij het paard zijn, steigert het.
Schrikt van hun lawaai en drukke bewegingen?
Wie zal het zeggen?
Het paard raakt de beide kinderen zo ongelukkig dat ze sterven.
Als herinnering aan deze dramatische gebeurtenis is het voorval in steen uitgebeiteld.

Ook staat op het kerkhof het grafmonument van Cornelis Donker uit 1891. Hij was onder meer lid van de Eerste Kamer en dijkgraaf van de Vier Noorder Koggen. Ook speelde hij een belangrijke rol bij de aanleg van de spoorlijn Medemblik-Hoorn.


 
terug